samenhang
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- sa·men·hang
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| samenhangen |
samenhang
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van samenhangen
- ... dat ik samenhang.
| vervoeging van |
|---|
| samenhangen |
samenhang