rectificeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rec·ti·fi·ce·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rectificeren |
rectificeerde |
gerectificeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
rectificeren
- (overgankelijk) een gemaakte fout rechtstellen
- De krant rectificeerde de volgende dag de storende fout.