protesteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pro·tes·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| protesteren |
protesteerde |
geprotesteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
protesteren
- (inergatief) grote bezwaren uiten
- Het verzoek werd afgewezen, waarop de advocaat nog protesteerde, maar uiteindelijk toch zijn pleidooi hield.
- Honderden boeren protesteerden in de straten van Brussel tegen de nieuwe landbouwplannen.