pleisteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pleis·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pleisteren
pleisterde
gepleisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

pleisteren

  1. (inergatief), (formeel) een reis onderbreken om te rusten en te eten
    Ze vonden dat het tijd werd om even te gaan pleisteren.
  2. (overgankelijk) iets met kalkspecie of gips bestrijken
    De opdracht was om dat binnen 15 minuten te pleisteren.
  3. (overgankelijk) pleisters leggen op iets
    Ik moest de vloer pleisteren.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen