pleisteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pleis·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| pleisteren |
pleisterde |
gepleisterd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
pleisteren
- (inergatief), (formeel) een reis onderbreken om te rusten en te eten
- Ze vonden dat het tijd werd om even te gaan pleisteren.
- (overgankelijk) iets met kalkspecie of gips bestrijken
- De opdracht was om dat binnen 15 minuten te pleisteren.
- (overgankelijk) pleisters leggen op iets
- Ik moest de vloer pleisteren.