plannen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plan·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plannen
plande
gepland
zwak -d volledig

Werkwoord

plannen

  1. (overgankelijk) een tijdstip afspreken om iets te doen
    Kunnen we een afspraak plannen om de verhuizing door te nemen?
  2. (overgankelijk) het maken van een plan
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

plannen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord plan
Verwante begrippen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen