padecer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·de·cer
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
padecer
padecía
padecido
volledig

Werkwoord

padecer

  1. (onovergankelijk) lijden, een kwaal hebben, ziek zijn
    «padecer de los bronquios»
    aan bronchitis lijden
  2. (overgankelijk) lijden, ondergaan, dulden, verdragen
    «padecer una operación»
    een operatie ondergaan
Synoniemen
Verwijzingen