opdringen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·drin·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| opdringen |
drong op |
opgedrongen |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
opdringen
- (onovergankelijk) dringend zich in een bepaalde richting begeven
- (ditransitief) iemand tegen zijn zin (iets) doen aannemen, tegen heug en meug opleggen
- Hij kreeg een positie opgedrongen die hij liever niet bekleedde.
- (wederkerend) zich ~: met kracht oprijzen, voor de verbeelding komen
- (wederkerend) zich ~: met alle middelen iemands gezelschap of genegenheid zoeken