onverbiddelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·ver·bid·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van verbiddelijk met het voorvoegsel on-, naamwoord van handeling van verbidden met het achtervoegsel -lijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | onverbiddelijk | onverbiddelijker | onverbiddelijkst |
| verbogen | onverbiddelijke | onverbiddelijkere | onverbiddelijkste |
Bijvoeglijk naamwoord
onverbiddelijk
- niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
- Zijn onverbiddelijke handelwijze maakte hem tot een gevreesd persoon.
Vertalingen
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen