ontspringen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·sprin·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontspringen
ontsprong
ontsprongen
Klasse 3 volledig

Werkwoord

ontspringen

  1. (ergatief) ontstaan op een bepaalde plek.
    De Rijn ontspringt in de Zwitserse Alpen.
  2. (ergatief) uitlopen, uitbotten.
    Er is een roos ontsprongen aan Jesse's oude stam.
  3. (ergatief) ~ + oorzakelijk voorwerp ontkomen aan iets.
    Verrassend genoeg is hij de dans toch ontsprongen.
Persoonlijke instellingen