onbeschaamdheid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- on·be·schaamd·heid
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van onbeschaamd met het achtervoegsel -heid.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | onbeschaamdheid | onbeschaamdheden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
onbeschaamdheid v
- gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
Vertalingen
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet