muntstuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- munt·stuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | muntstuk | muntstukken |
| verkleinwoord | muntstukje | muntstukjes |
Zelfstandig naamwoord
muntstuk o
- een geslagen stuk metaal, veelal rond van vorm, dat als betaalmiddel fungeert
- Je hebt voor deze automaat twee muntstukken van een euro nodig.