muntstuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • munt·stuk
enkelvoud meervoud
naamwoord muntstuk muntstukken
verkleinwoord muntstukje muntstukjes

Zelfstandig naamwoord

muntstuk o

  1. een geslagen stuk metaal, veelal rond van vorm, dat als betaalmiddel fungeert
    Je hebt voor deze automaat twee muntstukken van een euro nodig.