marmer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·mer
enkelvoud meervoud
naamwoord marmer marmers
verkleinwoord marmertje marmertjes

Zelfstandig naamwoord

marmer o

  1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
    Hij liet het stuk marmer per ongeluk uit zijn handen vallen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen