kronen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kro·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kronen |
kroonde |
gekroond |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
kronen
- (overgankelijk) iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
- Hij werd op die dag gekroond.
Vertalingen
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
Zelfstandig naamwoord
kronen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kroon