kronen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kro·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kronen
kroonde
gekroond
zwak -d volledig

Werkwoord

kronen

  1. (overgankelijk) iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
    Hij werd op die dag gekroond.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kronen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kroon
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen