kauwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- kau·wen
Woordherkomst en -opbouw
- (erfwoord) Van Germaans *kewwanan.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kauwen |
kauwde |
gekauwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
kauwen
- (m.b.t. voedsel) fijnmaken met de tanden
Vertalingen
1.
Woordherkomst en -opbouw
Zelfstandig naamwoord
kauwen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kauw