kansel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kan·sel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kansel | kansels |
| verkleinwoord | kanseltje | kanseltjes |
Zelfstandig naamwoord
kansel m
- een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
- Voorbeeldzin met het kansel erin.
Synoniemen
Vertalingen
1. een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.