jijen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- jij·en
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van jij.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| jijen |
jijde |
gejijd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
jijen
- iemand aanspreken met jij en jou in plaats van met u
- Ik wind me op over presentatoren die maar jijen en jouen.