item

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • item
enkelvoud meervoud
naamwoord item items
verkleinwoord itempje itempjes

Zelfstandig naamwoord

item o

  1. onderwerp dat aan bod komt
    Het journaal had vandaag een leuk item.
    Tijdens de vergadering was de recente wateroverlast een van de belangrijkste items.
Afgeleide begrippen


Engels

Uitspraak
  • IPA: /'aɪ̯təm/
enkelvoud meervoud
item items

Zelfstandig naamwoord

item

  1. voorwerp
  2. agendapunt