indruk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·druk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van druk met het voorvoegsel in-
enkelvoud meervoud
naamwoord indruk indrukken
verkleinwoord indrukje indrukjes

Zelfstandig naamwoord

indruk m

  1. de uitwerking van iets op het gemoed of de geest
    De eerste indruk van hem was zeer goed.
  2. een merk dat door indrukking ontstaat
    Doordat hij zijn ring op papier sloeg, ontstond er een indruk van zijn ring op het papier.
Synoniemen
Typische woordcombinaties
  • [1]: de indruk geven dat
  • [1]: een gespannen indruk maken
  • [1]: een indruk achterlaten

Werkwoord

vervoeging van
indrukken

indruk

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van indrukken
    ... dat ik indruk.