immigreren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·mi·gre·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
immigreren
immigreerde
geïmmigreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

immigreren

  1. (ergatief) een land binnenkomen om zich er te vestigen
    Er waren in die tijd vrij veel mensen geïmmigreerd.
Antoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen