emigreren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • emi·gre·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
emigreren
emigreerde
geëmigreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

emigreren

  1. (ergatief) naar het buitenland verhuizen
    In de jaren vijftig zijn er veel Nederlanders naar Engelstalige landen geëmigreerd.
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen