hospes

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hos·pes
enkelvoud meervoud
naamwoord hospes hospites, hospessen
verkleinwoord (hospesje) (hospesjes)

Zelfstandig naamwoord

hospes m

  1. een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
    Het lijkt wel alsof er veel minder hospites dan hospita's zijn.
Verwante begrippen
Vertalingen