hoogmoed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hoog·moed
Woordherkomst en -opbouw
- Samenstelling van hoog en moed.
- Afgeleid van het Middelnederlandse hoochmoet en hômoet, hetgeen is afgeleid van het Middelhoogduitse hochmuot.[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoogmoed | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
hoogmoed m
- overschatting van eigen kunnen
- Het is hoogmoed om te denken dat je wel even van die jongen wint.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Hoogmoed komt voor de val
- Misplaatste trots leidt tot ellende.
Vertalingen
1. overschatting van eigen kunnen