hoeden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoe·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hoeden
hoedde
gehoed
zwak -d volledig

Werkwoord

hoeden

  1. (overgankelijk) een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
    De herder hoedden hun schaapjes in het veld.
  2. (wederkerend) zich ~ voor zorgen dat een bedreiging geen werkelijkheid wordt
    Je moet je ervoor hoeden dat je computer niet besmet wordt door een virus.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

hoeden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hoed
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen