hoeden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: hoeden (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɦu.də(n)/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈɦu.də(n)/
- (Limburg): /ˈhu.də(n)/
Woordafbreking
- hoe·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hoeden |
hoedde |
gehoed |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
hoeden
- (overgankelijk) een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
- De herder hoedden hun schaapjes in het veld.
- (wederkerend) zich ~ voor zorgen dat een bedreiging geen werkelijkheid wordt
- Je moet je ervoor hoeden dat je computer niet besmet wordt door een virus.
Vertalingen
1. een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
Zelfstandig naamwoord
hoeden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hoed