herstel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- her·stel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | herstel | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
herstel o
- een terugkeer naar een vorige toestand
- Zijn herstel ging erg snel en hij kon spoedig weer aan het werk.
- iets weer in een goede toestand terugbrengen
- Herstel voor dat voorwerp was niet meer mogelijk.
- een vergoeding voor leed
- Wij betalen u volledig herstel.
Vertalingen
1. een terugkeer naar een vorige toestand
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| herstellen |
herstel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herstellen
- Ik herstel.
- gebiedende wijs van herstellen
- Herstel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herstellen
- Herstel je?