hekelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hekelen
hekelde
gehekeld
zwak -d volledig

Werkwoord

hekelen

  1. (overgankelijk) fel bekritiseren, openlijk beschuldigen of veroordelen
    De mensenrechtenorganisaties hekelen de wijze waarop het regime omgaat met de demonstranten.
  2. (overgankelijk) (landbouw) vlasvezels van de laatste aanhangsels ontdoen
Verwante begrippen
Vertalingen