hees
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hees
Woordherkomst en -opbouw
- (erfwoord) Germaans *haisaz, vanwaar ook Angelsaksisch: hās en Oudnoors hás (vergelijk Limburgs heisj)
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | hees | heser | heest |
| verbogen | hese | hesere | heeste |
Bijvoeglijk naamwoord
hees
- (personen) geen helder stemgeluid kunnen produceren.
- Je klinkt nogal hees.
- (stem) niet helder, klankloos.
- Wat heb je toch een hese stem!
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| hijsen |
hees
- enkelvoud verleden tijd van hijsen
- Ik hees.
- Jij hees.
- Hij, zij, het hees.
- Ik hees.