havo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·vo
enkelvoud meervoud
naamwoord havo -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

havo o

  1. (onderwijs), (letterwoord), (afkorting) de afkorting voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, een Nederlandse onderwijsvorm na de lagere school
    Hij volgt al drie jaar havo.
enkelvoud meervoud
naamwoord havo havo's
verkleinwoord havootje havootjes

Zelfstandig naamwoord

havo v/m

  1. een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs
    Ik heb op een havo gezeten.

Meer informatie