gulzig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gul·zig
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelnederlandse bijvoeglijke naamwoord guls (= gulzig) met het achtervoegsel -ig.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | gulzig | gulziger | gulzigst |
| verbogen | gulzige | gulzigere | gulzigste |
Bijvoeglijk naamwoord
gulzig
- met overmatige gretigheid iets verorberend
- De gulzige wolven maakten snel korte metten met hun prooi.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- gulzig eten
haastig eten, schrokken
Vertalingen
Bijwoord
gulzig
- met schrokkige haast