geeuwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- geeu·wen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| geeuwen |
geeuwde |
gegeeuwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
geeuwen
- (inergatief) onwillekeurig den mond opsperren en tevens diep inademen en weer uitademen
- Als je iemand hebt zien geeuwen is er een kans van 55 procent dat jij binnen vijf minuten ook zal geeuwen.
Synoniemen
Vertalingen
1. gapen
Zelfstandig naamwoord
geeuwen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord geeuw