geeuw
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- geeuw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | geeuw | geeuwen |
| verkleinwoord | geeuwtje | geeuwtjes |
Zelfstandig naamwoord
geeuw m
- het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
- Hij kon in de langdradige vergadering een geeuw niet onderdrukken.
Vertalingen
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| geeuwen |
geeuw