formatteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- for·mat·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| formatteren |
formatteerde |
geformatteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
formatteren
- (overgankelijk) van een format voorzien
- (overgankelijk)(informatica) de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
- Hij moest de harde schijf eerst formatteren voordat Windows geïnstalleerd kon worden.