forceren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- for·ce·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| forceren |
forceerde |
geforceerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
forceren
- (overgankelijk) een beslissing afdwingen
- Het team forceerde de overwinning.
- (overgankelijk) openbreken.
- De dief had de deur geforceerd.
- (wederkerend) te veel van zichzelf vergen
- Tijdens de sprint had hij zichzelf geforceerd met een spierletsel als resultaat.
Vertalingen
1. een beslissing afdwingen