forceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
forceren
forceerde
geforceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

forceren

  1. (overgankelijk) een beslissing afdwingen
    Het team forceerde de overwinning.
  2. (overgankelijk) openbreken.
    De dief had de deur geforceerd.
  3. (wederkerend) te veel van zichzelf vergen
    Tijdens de sprint had hij zichzelf geforceerd met een spierletsel als resultaat.
Vertalingen