fieri

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Latijn

Werkwoord

Infinitivus praesens actief

  1. worden
  2. gemaakt worden (passivum van facere)
  3. benoemd worden tot
Praesens Stam fi-
Praesens indicativum
act. enkelvoud meervoud pass. enkelvoud meervoud
I. fio fimus I. geen geen
II. fis fitis II. geen geen
III. fit fiunt III. geen geen
Imperativus
act. fi fite pass. geen geen
Praesens subiunctivum
act. enkelvoud meervoud pass. enkelvoud meervoud
I. fiam fiamus I. geen geen
II. fias fiatis II. geen geen
III. fiat fiant III. geen geen
Imperfectum indicativum
act. enkelvoud meervoud pass. enkelvoud meervoud
I. fiebam fiebamus I. geen geen
II. fiebas fiebatis II. geen geen
III. fiebat fiebant III. geen geen
Imperfectum subiunctivum
act. enkelvoud meervoud pass. enkelvoud meervoud
I. fierem fieremus I. geen geen
II. fieres fieretis II. geen geen
III. fieret fierent III. geen geen
Futurum indicativum
act. enkelvoud meervoud pass. enkelvoud meervoud
I. fiam fiemus I. geen geen
II. fies fietis II. geen geen
III. fiet fient III. geen geen
Perfectum stam i-
Perfectum indicativum
act. enkelvoud meervoud
I. geen geen
II. geen geen
III. geen geen
Perfectum subiunctivum
act. enkelvoud meervoud
I. geen geen
II. geen geen
III. geen geen
Plusquamperfectum indicativum
act. enkelvoud meervoud
I. geen geen
II. geen geen
III. geen geen
Plusquamperfectum subiunctivum
act. enkelvoud meervoud
I. geen geen
II. geen geen
III. geen geen
Futurum exactum
act. enkelvoud meervoud
I. geen geen
II. geen geen
III. geen geen
Infinitivi
act. pass.
praes. fieri geen
perf. geen geen
fut. futurus esse geen
Participia
praes. futurus, -a, -um
perf. geen
fut. factum iri
Gerundia et supina
subst. faciendus
adiect. geen
supina geen
Persoonlijke instellingen