façade
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- fa·ça·de
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Frans, op zijn beurt afkomstig van het Italiaanse facciata dat weer van het Latijnse facies (gezicht) afkomstig is.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | façade | façaden, façades |
| verkleinwoord | façadetje | façadetjes |
Zelfstandig naamwoord
façade v
- de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
- De façades van woonhuizen zijn in de loop der eeuwen geëvolueerd.
- (dysfemisme) het gezicht
- "Als je nu niet binnen de tien seconden uit mijn ogen bent, zal ik je façade ook vertimmeren", tierde de stiefvader.
- valse schijn
- De hele onderneming was slechts een façade.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.