doseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·se·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doseren
doseerde
gedoseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

doseren

  1. (overgankelijk) een dosis bepalen
    Hij moest de medicijnen doseren.
  2. (overgankelijk) in doses verdelen
    Dit moet nog gedoseerd worden.