doseren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- do·se·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| doseren |
doseerde |
gedoseerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
doseren
- (overgankelijk) een dosis bepalen
- Hij moest de medicijnen doseren.
- (overgankelijk) in doses verdelen
- Dit moet nog gedoseerd worden.