doc

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

enkelvoud meervoud
doc -

Zelfstandig naamwoord

doc

  1. doctor, iemand met een doctorstitel
  2. dokter
  3. een meer algemene aanspreektitel voor iemand die men hoogacht of veinst hoog te achten
    «What's up, doc
    ~ Hoe gaat het, meneertje?