dildo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dil·do
enkelvoud meervoud
naamwoord dildo dildo's
verkleinwoord dildootje dildootjes

Zelfstandig naamwoord

dildo m

  1. een seksspeeltje dat een penis nabootst
    Marjan liet zich helemaal met haar dildo.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen