casus
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ca·sus
Woordherkomst en -opbouw
- Latijn: "gebeurtenis, voorval"; oorspronkelijk voltooid deelwoord van cadere, "vallen".
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | casus | casussen, casus |
| verkleinwoord | casusje | casusjes |
Zelfstandig naamwoord
casus m
- (taalkunde) een naamval
- De Duitse zwakke flexie drukt namelijk nog een casus- en getalsonderscheid uit, al is het aantal distincties dat door de zwakke flexie wordt uitgedrukt aanzienlijk lager dan in de sterke flexie.
- (wetenschap) een of meer concrete voorbeelden van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
- Hoewel de casus fictief is, zijn de situaties zo veel mogelijk gebaseerd op de realiteit.
Synoniemen
- [1] naamval
- [2] praktijkvoorbeeld, voorbeeldcasus
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een naamval
2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
Turks
Zelfstandig naamwoord
casus