botsing
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bot·sing
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | botsing | botsingen |
| verkleinwoord | botsinkje | botsinkjes |
Zelfstandig naamwoord
botsing v
- het botsen
- Er was gisteren weer een frontale botsing op de snelweg.
- een conflict of ruzie
- Zij kwamen weer eens in botsing met elkaar.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. het botsen
2. een conflict of ruzie
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.