beschikking

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schik·king
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beschikking beschikkingen
verkleinwoord beschikkinkje beschikkinkjes

Zelfstandig naamwoord

beschikking v

  1. de macht om over iets te beschikken
    Ik stel je dit vanaf nu ter beschikking.
  2. (juridisch) een besluit dat iets wettelijk of juridisch regelt
    Dit wordt gedaan bij ministeriële beschikking.
Afgeleide begrippen