berechten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·rech·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| berechten |
berechtte |
berecht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
berechten
- (overgankelijk) onderwerpen aan een rechtsproces
- Hij werd in absentie berecht.