beneden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·ne·den
Bijwoord
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | beneden | |
| persoonlijk | erbeneden | |
| aanwijz. | nabij | hierbeneden |
| veraf | daarbeneden | |
| vragend/betrekk. | waarbeneden | |
beneden ;
- op een plek die lager is
- Zij wonen beneden.
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- Hij woont al jaren in een flat waar een muziekwinkel beneden is.
Voorzetsel
beneden
- op een plek die lager is
- Beneden het huis is een grote kelder.