behartigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
behartigen
behartigde
behartigd
zwak -d volledig
Woordafbreking
  • be·har·ti·gen

Werkwoord

behartigen

  1. (overgankelijk) iets ~ zich inzetten voor een bepaalde zaak
    ..[Filips de Schone] was hierin zeker te prijzen, dat ... hij alles, wat tot rechtvaardige en goedwillige bestiering diende, bevorderde, en der burgeren welzijn behartigde, ..[1]
  2. voornamelijk: de belangen ~ van
    Zij behartigde de belangen van haar minderjarige zoon.
Vertalingen
Verwijzingen
  1. p.216 Historie der Hollandsche staatsregering, tot aan het jaar 1795. A. Kluit
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen