becijfert
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- be·cij·fert
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| becijferen |
becijfert
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van becijferen
- Jij becijfert.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van becijferen
- Hij becijfert.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van becijferen
- Becijfert!