bebouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van bouwen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bebouwen
bebouwde
bebouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

bebouwen

  1. (overgankelijk) vullen met gebouwen
    Ze wilden dat stuk landbouwgrond bebouwen, maar er was geen vergunning.
  2. (overgankelijk) landbouwgrond met gewassen beplanten
    Het gedeelte dat bebouwd was leverde een mooie oogst op.
Vertalingen