bebouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bebouwen |
bebouwde |
bebouwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bebouwen
- (overgankelijk) vullen met gebouwen
- Ze wilden dat stuk landbouwgrond bebouwen, maar er was geen vergunning.
- (overgankelijk) landbouwgrond met gewassen beplanten
- Het gedeelte dat bebouwd was leverde een mooie oogst op.
Vertalingen
1. vullen met gebouwen