beboeten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·boe·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beboeten |
beboette |
beboet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
beboeten
- (overgankelijk) een boete uitdelen aan een persoon
- De agenten waren de foutparkeerders aan het beboeten.