babysitter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·by·sit·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord babysitter babysitters
verkleinwoord babysittertje babysittertjes

Zelfstandig naamwoord

babysitter m

  1. iemand die, gewoonlijk tegen betaling, enige tijd oppast op iemands kind of baby
    Het eindeloos huilende kind bracht de babysitter tot wanhoop.
Verwante begrippen
Vertalingen


Engels

enkelvoud meervoud
babysitter babysitters

Zelfstandig naamwoord

babysitter

  1. babysitter
Verwante begrippen