associeert
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- as·so·ci·eert
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| associëren |
associeert
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van associëren
- Jij associeert.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van associëren
- Hij associeert.
- verouderde gebiedende wijs meervoud van associëren
- Associeert!