articuleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ti·cu·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
articuleren
articuleerde
gearticuleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

articuleren

  1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
    Hij articuleerde zijn uitspraak perfect.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen