articuleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ar·ti·cu·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| articuleren |
articuleerde |
gearticuleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
articuleren
- de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
- Hij articuleerde zijn uitspraak perfect.