ankert

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·kert

Werkwoord

vervoeging van
ankeren

ankert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ankeren
    Jij ankert.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ankeren
    Hij ankert.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van ankeren
    Ankert!